QUICK SEARCH
Zoekterm(en)

Zoeken
(Artikelnr: 79700-40)
AAN HET WERK
De opmerkelijke Joodse bijdrage aan naoorlogs Nederland

 
André Agsterribbe
 

AMB Diemen 2010
(isbn 97890 79700 40 0, 195 pp., ruim geïllustreerd, paperback, € 15,00)
----

 
Voor de oorlog telde Joods Nederland ongeveer 140.000 zielen, ongeveer 38.000 overleefden de oorlog, nog geen 4 promille van de toenmalige Nederlandse bevolking. Maar net als iedereen in die dagen moesten de overlevenden verder en namen zij, zo goed en zo kwaad als het ging, de wederopbouw van het eigen bestaan en dat van hun land weer ter hand. Het waren echter de ervaringen in de oorlogsjaren die hen op achterstand zetten, die hun leven met een negatief saldo deden starten: de vertrouwensbreuk, de schoolachterstand, de lichamelijke en psychische handicaps, het onverwerkbaar leed, hun geroofde en geplunderde goederen. Ze deelden het lot van overlevenden te zijn. Ze deelden het besef van hoe slecht, slecht kon zijn en ze deelden het gemeenschappelijk verdriet over het verlies van naasten. Zij vormden niet zo zeer een geloofsgemeenschap, als wel een lotsgemeenschap.
 
In de berichtgeving lijkt het slachtofferschap de bijdrage aan de Nederlandse samenleving te hebben overschaduwd. Dit boek is bedoeld als een eerbetoon aan de overlevenden, die na de oorlog, zoals de historicus Presser het stelde, ‘weer gewoon gingen doen’, alsof er niets was gebeurd. Ogenschijnlijk ‘gewoon’. De bijdrage van deze groep aan naoorlogs Nederland is opmerkelijk als men de relatief geringe omvang van de groep en de extra handicaps in aanmerking neemt.
 
Om de betekenis van deze kleine groep van overlevenden voor de samenleving te illustreren wordt aandacht gevraagd voor de bijdragen van 380 personen, 1 procent van de gehele groep. Een impressie van een grote maatschappelijke bijdrage door een kleine groep mensen.
 
André Agsteribbe(1949) is socioloog en bestuurssecretaris bij Joods Maatschappelijk Werk. Hij schreef eerder over de tragische gevolgen van de oorlog.en Cultureel Rapport. Thans is hij als research fellow verbonden aan het NIDI.
------

INHOUDSOPGAVE
 
1. Inleiding
  • Na de oorlog
  • Lotsgemeenschap
  • Context
  • Keuzes
  • Verantwoording en feedback 
2. Fulltimers en parttimers
3. Journalistiek nieuws en achtergronden
4. Cultuur
  • Muziek
  • Media
  • Toneel / Film / Fotografie
  • Vormgeving / Ontwerp / Kunst
  • Schrijvers / Boeken
5. Sport topsport en breedtesport
6. Wetenschap
  • Menswetenschappen
  • Exacte wetenschappen
7. Openbaar Bestuur
    binnenlands bestuur en maatschappelijke organisaties
8. Bedrijfsleven
    bestuurders en ondernemers
 
Nawoord
Bronnen
Fotoverantwoording
Personenregister
-----
 
Voorwoord
 
In 1948 ving de toenmalige, nieuwe stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW) zijn werkzaamheden aan voor een gedecimeerde doelgroep van overlevenden. Sindsdien heeft JMW duizenden vervolgingsslachtoffers hulp geboden. De noodzaak van professionele hulp behoeft gelukkig geen toelichting meer. Hoe anders was dat direct na de oorlog!
Direct na de oorlog doorgrondden slechts enkele psychiaters de blijvende invloed van de ‘Jodenvervolging’ of, zoals die later mondiaal werd aangeduid: ‘Holocaust’ of in het Hebreeuws, ‘Sjoa’. In het belang van de hulpverlening streed JMW, zij aan zij met zijn doelgroep, voor de maatschappelijke erkenning van het slachtofferschap der vervolgden. Een streven dat pas in 1972 kon worden bekroond met de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 – 1945 (de ‘Wuv’).
 
De stelling dat ook nu nog de erkenning van het slachtofferschap voor de overlevenden van de Sjoa van essentieel belang is, zal uit de mond van de directeur van JMW geen verbazing wekken. Hoezeer de Sjoa ook het leven van de vervolgingsslachtoffers heeft geteisterd, de slachtoffers zijn echter niet alléén slachtoffers! De overheersende status van slachtoffer lijkt hun opmerkelijke bijdrage aan de Nederlandse samenleving te hebben overschaduwd.
Hoewel velen individueel al tijdens hun leven zijn geëerd, veelal in de sector, het bedrijf of beroep waarin zij werkzaam waren, als groep is hen die lof tot dusverre onthouden, terwijl het juist de oorlogservaringen waren die hun naoorlogse leven zo hebben bepaald!
 
Dit boek is bedoeld als een eerbetoon aan de gehele groep van overlevenden, die na de oorlog, zoals de historicus Presser het stelde, ‘weer gewoon ging doen’, alsof er niets was gebeurd. Ogenschijnlijk ‘gewoon’. De moeite die de opbouw van zo’n ogenschijnlijk gewoon nieuw bestaan vergde zou zijn tol eisen: met de psychische schade die de overlevenden hadden opgelopen werden hun kinderen, in meer of mindere mate, belast. De naoorlogse gezinssituatie waarin die schade werd opgelopen heeft zich in een buitengewone belangstelling mogen verheugen: een bijna onafzienbare reeks van publicaties, in binnen- en buitenland, heeft sinds de jaren tachtig het daglicht gezien over de zogeheten ‘tweede generatie’, de kinderen van de overlevenden van de Sjoa.
 
Ook JMW droeg, in bescheiden mate, daaraan bij. In 2007 met het onderzoek De Joodse naoorlogse generatieproblematiek anno 2007, waarin werd vastgesteld dat het beroep door die generatie op psychotherapie ten minste 3,5 keer en waarschijnlijk zelfs 5 keer zo hoog is als landelijk het geval is.* Een jaar later bracht JMW ter gelegenheid van haar 60-jarige bestaan een tweede publicatie uit onder de titel van Kinderen die alles moesten goedmaken.** Het boekje is een bundeling van bestaande interviews met min of meer bekende (tot de Joodse naoorlogse generatie behorende) Nederlanders waarin zij hun licht laten schijnen over de rol die de oorlog van hun ouders op hún leven heeft.
 
Met de uitgave van dìt boek wordt licht geworpen op de invloed van de Sjoa, niet op de gezinssituatie, maar op het werk van de overlevenden. Een werk dat net zo min als het gezinsleven los is te zien van de Sjoa. Een werk dat eigenlijk ook alles moest goed maken... Werk dat het verdriet moest wegdrukken, werk dat moest zorgen voor zelfrespect, inkomen, vreugde en vaak als vervanging moest dienen voor alles dat met de oorlog verloren was gegaan. En, werk dat in de Nederlandse naoorlogse samenleving van grote betekenis is geweest.
Werk waartoe, zoals de titel van dit boek in herinnering roept, de opperrabbijn in 1945, in een onbewaakt ogenblik, zijn lotgenoten opriep! Misschien wel hun eerste onbewaakte ogenblik sinds jaren...
 
Met de uitgave van dit nieuwe boek wordt het succes waarmee het werk door de Joodse vervolgingsslachtoffers weer werd opgepakt, vastgelegd en hopelijk aan de vergetelheid onttrokken.
 
Hans Vuijsje,
algemeen directeur-bestuurder JMW
 
 
DANKWOORD
 
Van de vele personen aan wie ik dank ben verschuldigd wil ik graag enigen met name noemen.
Mevrouw prof. dr. R.G. Fuks-Mansfeld, eindredacteur van het Joods Biografisch Woordenboek, dr. Peter Konijn en prof. dr. Jaap Polak stimuleerden me in een vroeg stadium tot deze uitgave en voorzagen me tijdens het schrijven van goede adviezen.
 
Behalve van internet en andere literatuur heb ik bij het schrijven veel profijt gehad van het voornoemde Joods Biografisch Woordenboek dat in 2007 het licht zag. Wouter Visser, verbonden aan de Bibliotheca Rosenthaliana, die vanaf het begin bij de samenstelling van dit woordenboek betrokken is geweest, heeft ook een belangrijke bijdrage geleverd aan dìt boek. Ik ben hem buitengewoon erkentelijk voor de onmisbare ondersteuning bij de totstandkoming van dit boek èn voor de prettige samenwerking.
 
Mijn erkentelijkheid gaat ook uit naar dr. Emile Schrijver, conservator bij de Bibliotheca Rosenthaliana en bestuurslid van het Menasseh Ben Israël Instituut, die bevorderde dat ik de informatie uit het Joods Biografisch Woordenboek met instemming van de schrijvers kon gebruiken. In het bijzonder heb ik gebruikgemaakt van de informatie van twee hunner: Peter Manasse en Pauline Micheels. Voor de beschrijving van 48 personen ben ik geheel of gedeeltelijk aangewezen geweest op hun informatie.
 
Rob van het Groenewoud (van de Nederlandse Kring voor Joodse Genealogie) ben ik dankbaar voor zijn onderzoek dat mij in een aantal gevallen zekerheid bood over iemands Joodse achtergrond.
Het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW) stelde mij belangeloos foto’s uit haar fotoarchief ter beschikking.
 
Voor het geduld dat Camiel Claus van Dickhoff Design b.v. met me had bij het opmaken van het boek wil ik ook hem graag bedanken.
 
Het opsporen van de adresgegevens van de geportretteerde personen of van hun nabestaanden was geen sinecure. Alleen dankzij de vasthoudendheid waarmee Milan Kos, Rosalie Anstadt en bovenal Merel Spijkerman zich maandenlang van deze taak hebben gekweten konden velen van hen worden getraceerd.
Jeannette Buesink, hoofd van het directiesecretariaat van JMW, heeft ervoor gezorgd dat de geportretteerden adekwaat en efficiënt konden worden benaderd en heeft ook de overige correspondentie met hen verzorgd.
 
Tijdens het schrijven is Wybe Koopmans, kwaliteitsfunctionaris bij JMW, als ‘relatieve buitenstaander’, bereid geweest de concepttekst aan zijn ‘onafhankelijk’ oordeel te onderwerpen en van commentaar te voorzien. Renée Hoogenraad, medewerkster van het directiesecretariaat, heeft met buiten gewone nauwkeurigheid en deskundigheid de uiteindelijke tekst geheel geredigeerd en mij behoed voor vele ‘missers’.
 
Van betekenis voor de totstandkoming van dit boek, in elk stadium, is voorts collega Chris Kooyman, staffunctionaris Onderzoek, geweest die door zijn ‘eigen’ ex libris-project mij heeft kunnen voorzien van essentiële informatie. Als vakbroeder die de ‘sociological imagination’ deelt was hij voor mij een grote steun èn een bron van inspiratie gedurende het hele project.
 
Grote dank ben ik ook verschuldigd aan de directeur van JMW, Hans Vuijsje. Mijn idee voor dit boek heeft bij hem van meet af aan op groot enthousiasme kunnen rekenen. Hij bood mij de gelegenheid langere tijd geconcentreerd aan het project te werken.
 
André Agsteribbe
 
 
INLEIDING
 
Voor de oorlog telde Joods Nederland ongeveer 140.000 zielen. Van hen overleefden ongeveer 38.000.* Op de Nederlandse bevolking van 9,5 miljoen inwoners in 1945 vormden de 38.000 Joden een kleine minderheid. Zij ontsprongen de dans dankzij een niet-Joodse partner, door onder te duiken, te vluchten naar veiliger oorden, uit gevangenschap te ontsnappen of, in een klein aantal gevallen, in gevangenschap te overleven. In alle gevallen meer door geluk dan door wijsheid.
 
Na de Bevrijding stelde men zich in Joods Nederland de vraag of deze gedecimeerde gemeenschap nog wel levensvatbaar was. Velen zagen voor de gemeenschap in ons land geen toekomst meer. De vraag naar de mogelijke betekenis van de leden van die gemeenschap voor de Nederlandse samenleving werd niet gesteld. Indien de vraag naar de mogelijke betekenis van de Nederlandse Joden voor de gehele samenleving wèl zou zijn gesteld, dan zouden hun geringe aantal en hun toenmalige fysieke en mentale staat voldoende reden zijn geweest om een verwaarloosbare rol te voorspellen.
Hoe anders is de rol van de Joden in het Nederland van na de oorlog geweest! Zoals de titel van dit boek het stelt, is juist sprake geweest van een ‘opmerkelijke bijdrage’.
 
Opmerkelijk, omdat het inderdaad om een buitengewoon kleine minderheid van nauwelijks vier promille van de toenmalige Nederlandse bevolking gaat, die een bijdrage levert op vrijwel elk maatschappelijk terrein: journalistiek, cultuur, sport, wetenschap, openbaar bestuur, bedrijfsleven. Maar vooral opmerkelijk, omdat hun startpositie zo onvoorstelbaar hopeloos leek in 1945, toen zij meren deels als kansloze groep van berooiden en ontheemden, in hoofdzaak op eigen kracht, weer in de samenleving hun plaats moesten vinden.
 
Het waren de oorlogsjaren, die hen na de oorlog op achterstand zetten, voor hen een handicap waren en die hun leven met een negatief saldo deden starten: taal-, school-, ontwikkelings- achterstand, handicaps van onverwerkbaar leed als gevolg van afgeslachte familie, naast lichamelijke en psychische handicaps als gevolg van de jaren waarin ze zelf als wild werden opgejaagd, negatieve saldo’s wat betreft hun geroofde en geplunderde ‘stoffelijke’ zaken, roerende en onroerende goederen.
 
Na de oorlog
 
Van de ongeveer 38.000 Nederlandse overlevenden van de Sjoa zijn de meesten inmiddels overleden. Ongeveer 9.000 zijn nog in leven. De ramp die het Nederlandse Jodendom had getroffen week in ten minste twee opzichten af van een gewone ramp. Ten eerste was het geen natuurramp, maar mensenwerk. Ten tweede bleef hulp van buiten, zoals bij de meeste rampen, uit. De beulen, de overige daders, de helpers en de omstanders, die in de herinnering van de slachtoffers ‘geen poot hadden uitgestoken’ waren allen mensen.
 
Mensen die zich in alle lagen van de samenleving in Duitsland, Oost-Europa en ook in Nederland bevonden. Het besef onder de slachtoffers dat het om mensenwerk ging is van blijvende invloed geweest voor de verwerking van de ramp: ‘mensen waren niet te vertrouwen’. In de oorlog werd je voor een appel en een ei verraden, door vreemden, maar even zo goed door je buurman, je collega, je zwager, door je ‘vrienden’. Zonder medewerking van ‘onschuldige’ ambtenaren op talloze niveaus en functionerend in even zovele diensten en bedrijven zou de ramp bovendien niet mogelijk zijn geweest. En, potentiële beschermers gaven niet thuis: de overheid, de regering in Londen, het Rode Kruis en het Vaticaan lieten verstek gaan toen het erop aankwam. ‘Niet het grote aantal slachtoffers verbijstert’, zoals Elie Wiesel schrijft, ‘maar het geringe aantal redders’.
 
Na de oorlog (het tijdvak waarin de bijdragen tot stand kwamen waarvoor dit boek aandacht vraagt) heersten onwetendheid en onbegrip over het lot van de ‘Joodse landgenoten’ in een Nederlandse samenleving waar overigens meer antisemitisme was dan voor de oorlog. Van een opvang van de slachtoffers was geen sprake. Een overheidsbeleid van non-discriminatie tussen Joden en niet-Joden leidde ertoe dat de Joden opnieuw (en verder) werden achtergesteld. Er waren geen voorzieningen voor de radelozen die alles kwijt waren. Ze werden in een sfeer van onverschilligheid aan hun lot overgelaten. Soms werden ze van advies gediend: ze moesten dankbaar en bescheiden zijn en in Nederland hun plaats kennen. Er werd soms zelfs gepleit voor discriminatie van Joden op de arbeidsmarkt. Hartverscheurend en uitvoerig elders beschreven is de strijd geweest om de geredde Joodse kinderen door ouders, familie of Joodse instanties.
 
De hulp die wèl werd geboden kwam vrijwel uitsluitend van Joodse kant. In 1944, in het al bevrijde Zuiden, nam Abraham de Jong het initiatief tot de oprichting van het informatieblad Le Ezrath Ha-am (Het volk ter hulpe). De eveneens door hem opgerichte Joodse Coördinatie Commissie trok zich het lot aan van de 4.138 Joodse oorlogspleegkinderen. Uit het buitenland werd de helpende hand geboden door de Jewish Agency, het American Jewish Joint Distribution Committee, het World Jewish Congress, de War Refugee Board en het Hilfsverein für Jüdische Auswanderung. En later door de Jewish Relief Unit en het Jewish Committee for Relief Abroad, beide uit Engeland. Voorts waren er de Joodse Hulpcommissie voor de Mijnstreek in Heerlen en in Maastricht het Comité voor Israëlitische Belangen. Met de repatriëring hield zich vooral bezig de Nederlandse Joodse Vereniging in New York (voedselpakketten) en de Kring der Nederlandse Joden in Londen. Sinds de vijftiger jaren is het de Amerikaans-Joodse organisatie ‘Claims Conference’ geweest die zich inspant om de Duitse overheid te bewegen tot herstelbetalingen aan slachtoffers van de Sjoa. Ook de weinige giften van particulieren hadden steeds Joodse afzenders, zoals de grote giften aan de Bergstichting (een huis voor Joodse weeskinderen) en aan de Centrale Financierings Actie voor Joods maatschappelijk werk (Cefina), van de vatenfabrikant Bernard van Leer kort na de oorlog.
Deze vertrouwensbreuk heeft het zelfbeeld van de naoorlogse Joden sterk bepaald en heeft hen permanent ontvankelijk doen zijn voor de status van outsider. Eenzaamheid door onverschilligheid en onbegrip, de confrontatie met antisemitische incidenten en ook de angst dat ‘het’ weer zou kunnen gebeuren, leidden tot een onvoorwaardelijke steun aan de jonge staat Israël. En gedurende meer dan 20 jaar tot een emigratie naar dat land die naar verhouding tot de grootste behoort van alle Westerse landen: ongeveer 10.000 Nederlandse overlevenden kozen voor een toekomst als ‘vrije Joden in een vrij land’.
Dezelfde factoren (de eenzaamheid, de confrontatie en de angst) stonden ook aan de basis van de successtory van de stichting Joods Maatschappelijk Werk: alleen bij JMW voelde men zich als Jood niet bekeken, maar begrepen. Zowel in Israël als bij JMW voelde men zich in elk geval geen outsider.
Het besef dat alleen Joden voor elkaar opkwamen werd ook gevoed door incidenten, zoals in 1960 de ontvoering door Israël van de oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann uit Argentinië, voor wiens berechting geen enkel ander land belangstelling aan de dag legde. De enige met eenzelfde belangstelling was de Joodse Simon Wiesenthal.
 
Voeding aan de angst dat ‘het’ elk moment weer kon gebeuren gaven met name de oorlogen in het Midden-Oosten in 1967 en 1973. Angst die ook levend werd gehouden door golven van antisemitisme die over het land spoelden zoals naar aanleiding van het televisieprogramma Zo is het toevallig ook nog eens een keer in 1964.** De zich jaren voortslepende discussies ‘in naam van’ het recht over de vrijlating van drie oorlogsmisdadigers, een minister van justitie die zichzelf van een ariërverklaring meende te moeten voorzien en andere incidenten wakkerden bij de slachtoffers van de Sjoa het gevoel van eenzaamheid voort durend aan.
 
De eenzaamheid, de confrontatie en de angst hadden ook nog heel andere gevolgen. Na 1945 benam een honderdtal overlevenden zich het leven. Hoe moeilijk Joden het na de oorlog in Nederland hadden toont ook de tien procent van de Joodse naoorlogse generatie die blijkens onderzoek uit 1990 niet kon  worden opgevoed door de eigen ouders. Een onbekend aantal Joden veranderde na de Sjoa de familienaam zodanig dat de Joodse afkomst onzichtbaar werd. Vele anderen bedienden zich in hun werk van een pseudoniem.
Anderen veranderden weer tijdens de eerste naoorlogse volkstellingen massaal, hoewel niet exact bekend, ‘op papier’ van geloof. Een minderheid trad zelfs daadwerkelijk toe tot een andere Kerk, ook al werd zo’n stap in Joodse kring doorgaans als hoogverraad beschouwd.
 
Er waren er ook die hun oorlogservaringen aangrepen om zich in te zetten voor een betere wereld of zelfs voor een revolutie. Of daarin volhardden tegen beter weten in... Of streden voor een humaner lot van maatschappelijk achtergestelden. Of streden voor emancipatie van verdrukte minderheden. Of tegen machtsmisbruik. In en vaak ook naast hun betaalde werk. Gemeenschappelijk lijken al die overlevenden, hoe verschillend ze verder ook vaak waren, iets te delen, dat nu met een aansprekend begrip kan worden verduidelijkt, maar waarvan de meesten toen bij het horen van datzelfde woord zouden hebben gehuiverd: missie. De Joden die de Sjoa hadden overleefd leken vooral een missie te hebben, die hun werklust verklaart.
 
Lotsgemeenschap
 
De Joodse gemeenschap wordt veelal primair gezien als een geloofsgemeenschap. Tegen dat gezichtspunt verzet zich het gezamenlijke ledental van de drie joodse kerkgenootschappen. Recente sociaaldemografische onderzoeken spreken nog slechts van een minderheid die lid is van een joods kerkgenootschap.
Bovendien geven de meeste leden sociale en geen religieuze redenen voor hun lidmaatschap op. Ook blijkens eerder onderzoek (uit 1966) toen de ontkerkelijking nog minder was voortgeschreden dan nu het geval is, waren van de toen getelde 30.000 Joden in ons land slechts 6.473 lid van een kerkgenootschap. De Joden in ons land die in de decennia na de oorlog zo’n opmerkelijke rol speelden in de Nederlandse samenleving vormden dan ook niet zo zeer een geloofsgemeenschap, maar vooral een lotsgemeenschap. Ze deelden hun lot van overlevenden te zijn van een ten dode opgeschreven gemeenschap. Ze deelden in meer of mindere mate het bewustzijn van een outsider, die na de oorlog weer mocht meedoen. Ze deelden het besef van hoe slecht, slecht kon zijn en ze deelden gemeenschappelijk verdriet over het verlies van naasten.
Er was daarnaast nog een tweede aspect, dat het rechtvaardigt om te spreken van een lotsgemeenschap: ze werden overgelaten aan hun lot. Eer wordt in dit boek betoond aan al degenen die na de oorlog weer aan het werk gingen. Velen echter, JMW weet het als geen ander, slaagden er nooit meer in een stabiel werkzaam leven op te bouwen. Permanente gezondheidsklachten, een abnormaal hoog ziekteverzuim, conflicten op de werkvloer, concentratiestoornissen en talloze andere vormen van ‘onaangepast’ gedrag stonden velen een normaal werkzaam leven na de oorlog in de weg.
De Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 - 1945, die pas in 1972 van kracht werd, min of meer als een sluitstuk van de sociale zekerheid, vormde voor duizenden een reddingsboei waarop zij in de jaren daarna onmiddellijk een beroep deden of pas veel later, nadat zij tot het uiterste hadden gepoogd het hoofd op de arbeidsvloer boven water te houden.
 
Tot op de dag van vandaag lijkt de lotsgemeenschap, die de Joden na de oorlog vormden, van invloed te zijn op haar huidige gedaante: een gemeenschap met een sterk Joods bewustzijn onder haar leden, die zich tegelijkertijd grotendeels heeft afgewend van het georganiseerde Joodse leven; een gemeenschap die (eveneens volgens de eerder genoemde onderzoeken) in de dreiging van antisemitisme haar grootste gemene deler ziet; een gemeenschap waarvan de leden, ook degenen die na en ver na de oorlog zijn geboren een relatief hoog beroep doen op professionele hulpverlening.* Een gemeenschap, die deel uitmaakt van een samenleving die met haar soms onbehouwen kritiek op Israël de vertrouwensbreuk met de niet-Joodse wereld nieuw leven weet in te blazen. En ook een gemeenschap, die een buitenproportionele bijdrage levert aan de samenleving, maar het verkiest zich daarop vooral niet te laten voorstaan. Ten slotte, een gemeenschap waarvan vele, misschien wel de meeste leden vinden dat niet zij, maar anderen daartoe behoren.
 
Wat dat laatste betreft, moet, ter verklaring van dat merkwaardige feit, niet uit het oog worden verloren hoezeer de Joden verweven zijn met de hun omringende niet-Joodse omgeving: 75 procent van alle Nederlandse Joden komt momenteel uit een gemengd huwelijk of maakt daarvan nu deel uit. Vele Joden zijn zich daarvan niet bewust met als gevolg dat zij menen geen deel te zijn van de Joodse gemeenschap, ondanks hun vaak sterke besef van hun Joodse afkomst.
 
Context
 
Dit boek had ook als titel kunnen dragen: Tussen start en finish. Het gaat immers over de start in 1945 en de maatschappelijke loopbaan tot het eind, het moment waarop die eindigde door pensioen of sterfte. We beperken ons daarbij louter tot een beschrijving van de bijdragen van de persoon in kwestie. Geen poging wordt ondernomen tot enige verklaring van het opmerkelijke van de ‘opmerkelijke bijdragen’. Wellicht dat anderen nog eens een poging wagen om tot een verklaring te komen.
Het is van belang op te merken dat door de verbijzondering van de Joodse overlevenden in dit boek niet uit het oog mag worden verloren dat zij deel uitmaakten van de Nederlandse naoorlogse samenleving. Een samenleving die in zijn geheel de schouders er weer onder zette en met man en macht de opbouw van het eigen bestaan en dat van hun land weer ter hand nam. Er was inderdaad sprake van een Herrijzend Nederland. De enorme werklust in ons land na 1945 heeft zich werkelijk niet beperkt tot de Joodse overlevenden. Deze relativering bevestigt echter tegelijkertijd het opmerkelijke van de bijdragen door zo’n verwaarloosbare, kleine minderheid als de 38.000 Joodse overlevenden: zij maakten geen deel uit van een apathische of traditionele samenleving, maar juist van één die in haar geheel bezield was van de vooruitgangsgedachte en de maakbaarheid van de samenleving. De hele maatschappij bruiste van energie en bood aan iedereen meer kansen dan voor de oorlog.
 
De Joodse overlevenden waren, om het in de taal van de bevrijders te zeggen: just ordinary, only more so! Ze waren evenals de rest van Nederland besmet met een virus dat aanzette tot grote werklust, alleen nog meer!
Een tweede signalering betreft de braindrain. Er waren onder de personen die in dit boek symbool staan voor die abnormale werklust opvallend veel afkomstig uit het buitenland, in het bijzonder uit Duitsland, waar de nazi’s vanaf de dertiger jaren het steeds meer voor het zeggen kregen. Zij schitterden vooral in journalistiek, cultuur, kunst en wetenschap. Aan deze braindrain vanuit Duitsland is in andere publicaties aandacht geschonken. Met name de emigratie van Joden uit Duitsland naar Amerika is vaak onderwerp van studie geweest en heeft menigeen tot de conclusie gebracht dat wanneer Hitler de Joden niet zou hebben verjaagd hij een betere kans had gemaakt om de oorlog te winnen.
Veel minder aandacht heeft een andere braindrain gekregen: de emigratie van Joden, na de oorlog, uit ons land naar met name Amerika en Israël. Bijna tienduizend overlevenden verruilden Nederland voor deze landen. Een groot deel van hen zou nooit meer terugkeren. Voor zover dat het geval was, is aan hun bijdrage voorbijgegaan. Hun bijdrage aan de samenlevingen daar is evenwel niet minder opmerkelijk geweest dan van de achterblijvers in ons land!
Vele voormalige Nederlanders schitterden in beide landen, in Israël of in de VS, in het bedrijfsleven, het openbaar bestuur en de wetenschap. Misschien dat aan die ‘opmerkelijke bijdrage’ ook nog eens een publicatie kan worden gewijd.
 
Keuzes
 
Het eerbetoon betreft in de eerste plaats de onverzettelijkheid waarmee alle 38.000 overlevenden van de Sjoa, doorgaans met heel veel moeite, het leven na de oorlog weer oppakten. Het boek geeft niet meer dan een impressie.
Een impressie van een grote maatschappelijke bijdrage door een kleine groep mensen. Om de betekenis van deze kleine groep van overlevenden voor de samenleving te illustreren wordt aandacht gevraagd voor de bijdragen van 380 personen, 1 procent van de gehele groep.
 
Gezien het impressionistische karakter van deze uitgave is niet naar volledigheid gestreefd wat betreft de vermelding van deze ‘bijdragen’. Dat kon ook niet. Een dergelijk streven zou hebben geleid tot een omvangrijk boekwerk, dat ons met deze uitgave niet voor ogen heeft gestaan. Deze beperking heeft er niet alleen toe geleid dat aan veel ‘andere’ prestaties van de hier genoemde personen voorbij moest worden gegaan, maar ook dat heel veel anderen die ook tot opmerkelijke bijdragen aan de samenleving kwamen ontbreken!
 
Dit feit verdient nog om een andere reden aandacht: het is ook illustratief voor de enorme inzet van de gehele groep van overlevenden dat zelfs het vermelden van 1 procent van die groep niet toereikend blijkt om alle mensen, die een substantiële bijdrage aan de samenleving leverden, te kunnen memoreren.
Voor vermelding kwamen slechts personen in aanmerking wier bijdragen aan de Nederlandse samenleving lagen in de naoorlogse periode. Gezien hun bijdrage aan die samenleving is ook een klein aantal personen opgenomen, dat zich na de oorlog in Nederland vestigde en de Sjoa elders overleefde. Met de titel van dit boek (Aan het werk) wordt benadrukt dat de bijdrage aan de samenleving geleverd werd in het werkzame leven.
 
Buiten het bestek van deze uitgave vallen:
• overlevenden, die een bijdrage aan de samenleving leverden op andere wijze dan door werk, zoals door filantropie;
• overlevenden, die een bijdrage voornamelijk vòòr de oorlog leverden;
• overlevenden, die een bijdrage aan de naoorlogse Nederlandse samenleving hebben geleverd, maar al (ver) voor de oorlog uit Nederland emigreerden;
• overlevenden, die na de oorlog uit Nederland emigreerden en voornamelijk een bijdrage leverden aan samenlevingen elders;
• Joden die al voor de oorlog (permanent) leefden in de voormalige Nederlandse koloniën en daardoor niet als Jood werden vervolgd.
 
Ten slotte wordt hier voorbijgegaan aan personen wier bijdragen zich hoofdzakelijk beperken tot de Joodse gemeenschap.
 
De begrenzing wordt uiteraard verder bepaald door wat gezien wordt als ‘een bijdrage aan de samenleving’. Een harde definitie is niet te geven. Soms maakt de sector waarin de bijdrage wordt geleverd al dat gesproken mag worden van een bijdrage aan de maatschappij. Voorts is aan subjectieve beoordelingen niet te ontkomen: een fervent sportliefhebber zal in alles wat zijn sportheld deed misschien eerder een bijdrage aan de maatschappij zien dan een ander. En dat geldt voor elke sector in de samenleving. Het blijft een kwestie van smaak.
 
Niettemin is voor opname in dit boek als leidraad genomen de bekendheid die iemand geniet binnen of buiten zijn of haar vakgebied. Als bijkomend criterium heeft gegolden de vernieuwing (of de aanzet daartoe) die van de betrokken persoon is uitgegaan. Opnieuw met de kanttekening dat het bestek van dit boek velen moest uitsluiten.
Velen van de genoemden genieten door hun prestaties, ook bij een groter publiek, een zekere bekendheid. In interviews plaatsten zij zelf hun prestaties en meestal hun hele leven in het licht van de in de Sjoa geleden verliezen. Maar ook waar dit niet gebeurt, is de naoorlogse levenswandel van velen vaak alleen te begrijpen tegen de achtergrond van de Sjoa, al vergt dit inzicht van een buitenstaander misschien wat inlevingsvermogen. Het werk van de besproken personen verraadt een enorme dadendrang en ondernemingszin. Van velen is de bijdrage aan de maatschappij niet beperkt tot één sector van het maatschappelijk leven. Omdat ervoor is gekozen de bijdrage van elke persoon slechts één keer te noemen kan het voorkomen dat de betreffende persoon in een ander hoofdstuk is ondergebracht dan men zou verwacht hebben. Soms wordt de lezer erop geattendeerd dat iemand elders in het boek is vermeld. Alle personen worden overigens vermeld in het Personenregister.
 
Ter onderstreping van de geleverde bijdragen worden soms de prijzen of onderscheidingen die de betrokkenen ten deel zijn gevallen, genoemd, met uitzondering van de koninklijke onderscheidingen, omdat vrijwel àlle genoemde personen die ontvingen.
 
De lengte van de tekst verschilt per geportretteerde. Soms is de beschikbare (relevante) informatie daaraan debet. In andere gevallen is volstaan met een beperkte tekst omdat de geportretteerde genoegzaam bekend mag worden verondersteld.
 
Aanvankelijk lag het in de bedoeling om van elke overlevende de persoonlijke verliezen volledig te schetsen. Bij nader inzien is daarvan afgezien, omdat zij allen zonder (groot)ouders, kinderen, partners en verdere familie het leven weer moesten zien op te pakken. In welke mate dat in elk individueel geval zo was, zou niet veel hebben toegevoegd. Juist die gemeenschappelijk geleden verliezen maken dat de Nederlandse overlevenden van de Sjoa als een groep kunnen worden beschouwd. Hun biografie is steeds dezelfde: een weggevaagd gezinsleven, geen familie of bijna geen familie meer, een omringende maatschappij die zich van hun leed lange tijd geen voorstelling kon of wilde maken, dakloos, geen baan, geld noch eigendom, geen ‘kruiwagens’, geen hulp ‘van buiten’, geen zelfrespect en, niet zelden, schaamte het te hebben overleefd. Om de lezer bij de les te houden zijn de oorlogsverliezen soms wel kort aangestipt.
 
Verantwoording en feedback
 
Alle informatie is ontleend aan openbare bronnen: internet, boeken, krantenartikelen, documentaires, enz. De literatuuropgave waarnaar in de voetnoten wordt verwezen betreft meestal bronnen die niet op internet voorkwamen en aanvullende informatie bevatten. Voor ongeveer twintig geportretteerden is geput uit persoonlijke gesprekken met hen of hun nabestaanden.
JMW heeft zich grote inspanning getroost om (vooraf) de 380 geportretteerde personen of hun nabestaanden te traceren en te informeren over dit boek en hun vermelding daarin. Als geen andere organisatie is het vertrouwd met het gegeven, dat lang niet alle Joden er behoefte aan hebben hun Joodse achtergrond aan de openbaarheid prijs te geven. Angst en schaamte, zelfs zo lang na de oorlog, spelen hierbij zeker een rol. Het was echter op voorhand niet te schatten om welk aantal personen het zou gaan dat geen prijs zou stellen op vermelding als Jood respectievelijk als overlevende van de Holocaust/Sjoa.
Vandaar dat besloten is om zoveel mogelijk betrokkenen te traceren. Deze werkwijze heeft ervoor gezorgd dat wij al op reacties mochten rekenen nog voordat dit boek werd uitgegeven.
 
Hoeveel personen reageerden er? Waarom reageerden zij en hoe reageerden zij? Van de 380 personen (van wie ongeveer driekwart niet meer in leven is) konden de adresgegevens van 180 personen, levenden én nabestaanden, worden gevonden. Met name van de groep overledenen die al dertig, veertig jaar geleden was gestorven, is het zoeken naar adresgegevens van nabestaanden met slechts gering succes gebeurd. In veel gevallen konden zelfs helemaal geen nabestaanden worden getraceerd en dringt zich een beeld op, dat zij daarover ook niet beschikten. Soms kon alleen worden achterhaald dat er nog een verre neef ergens in het buitenland ‘zou moeten bestaan’.
 
Van de 180 personen van wie adresgegevens werden gevonden reageerden er precies 110. Van hen gaven ruim negentig expliciet uiting aan een gevoel van grote waardering voor het eerbetoon, dat met dit boek wordt nagestreefd. Een tiental zag het idee van dit boek in de eerste plaats als een persoonlijke erkenning of als een erkenning van een ‘levenslange worsteling om tot iets te komen’, zoals één hunner het stelde. Voor een enkeling had het eerbetoon niet gehoeven, maar had volstaan kunnen worden met de blote feiten, die tonen hoe men er, ondanks zo’n slechte start, weer bovenop gekomen is.
In het oog springt voorts het feit, dat veel kinderen van overleden geportretteerden het eerbetoon aan hun vader of moeder als een grote eer beschouwen.
Enige tientallen betreurden het buitengewoon dat hun ouder het eerbetoon zelf niet meer heeft mogen meemaken.
Enige geportretteerden hebben gewezen op onbekende anderen, die ook voor vermelding in dit boek in aanmerking kwamen. Van hun suggesties is dankbaar gebruikgemaakt. Meestal werd per e-mail gereageerd. Van de ongeveer dertig personen met wie telefonisch of, in een enkel geval, persoonlijk contact was voerde de auteur vaak lange gesprekken. Van de buitengewone bijdrage van de kleine groep van overlevenden aan de Nederlandse samenleving bleken de meesten slechts een vaag idee te hebben.
Van allen die reageerden verzochten de meesten, ruim zeventig personen, om een aanpassing van de tekst. In bijna een kwart van de gevallen ging het om onjuistheden, waarmee overigens licht wordt geworpen op de relatieve betrouwbaarheid van de informatie op internet; vaak de enige beschikbare bron van informatie.
De overigen verzochten om een aanpassing van de tekst om hun bijdrage aan de samenleving beter tot zijn recht te laten komen, in een ruimer kader te plaatsen of omdat gehecht werd aan een specifieke bijdrage, die onvoldoende uit de verf kwam in de concepttekst. Een klein aantal personen, minder dan vijf, verzocht om het achterwege laten van anekdotes die rond de geportretteerde de ronde deden en die in de tekst waren vermeld. Alle verzoeken om tekstwijziging werden ingewilligd, toevoegingen, zoals verdiensten voor de Joodse gemeenschap, die buiten het kader van dit boek liggen, uitgezonderd.
 
Zoals gezegd, het motief om iedereen vooraf te informeren ontstond echter niet uit de behoefte de tekst te laten verbeteren. Met de mate waarin dat het geval bleek, werd, eerlijk gezegd, zelfs vooraf geen rekening gehouden. Het motief om de betrokkenen vooraf op de hoogte te brengen had vooral te maken met de vrees dat velen niet in een dergelijk boek zouden willen staan.
 
Gelet op de ervaring van JMW waaruit blijkt dat lang niet iedereen te koop wil lopen met zijn Joodse achtergrond, is het kleine aantal dat om die reden niet in dit boek wilde worden opgenomen opmerkelijk.
Van de zeven personen die geen prijs stelden op vermelding waren er slechts twee die expliciet bezwaar maakten tegen vermelding van hun persoon in een boek ‘met alleen Joden’. Een derde persoon wilde niet vermeld worden in een boek waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen Joden en niet-Joden.
Anderen die zich niet als vervolgde beschouwden of opgaven geen Joodse achtergrond te hebben werden uiteraard ook geschrapt.
Informatie:
ISBN
: 9789079700400
Auteur
: Agsteribbe
Kaft
: Paperback
Uitgever
: AMB
Foto('s):
Bijlagen:
Prijsinformatie:
Prijs per stuk: € 15,00
Aantal: Bestellen
Reviews Review toevoegen

Deze review wordt niet direct geplaatst omdat deze eerst moet worden goedgekeurd door een beheerder. Wanneer deze review goedgekeurd is zal hij verschijnen op deze pagina.

Geen reviews gevonden.

Meer reviews
 
 
 
Uitgeverij AMB  
Karwijzaaderf 15
1112 JN Diemen
postadres
Postbus 7
1110 AA Diemen


info.amb@xs4all.nl

AMB Publishers 
Karwijzaaderf 15
1112 JN Diemen

postal address
 PO Box 7
  1110 AA Diemen
  The Netherlands

 info.amb@xs4all.nl


 
 
 
 
Deze website gebruikt cookies om het bezoek te meten, we slaan geen persoonlijke gegevens op.