QUICK SEARCH
Zoekterm(en)

Zoeken
(Artikelnr: 79700-26)
De Joden in Nederland anno 2009
continuïteit en verandering


 Hanna van Solinge & Carlo van Praag

AMB Diemen 2010
(isbn 97890 79700 26 4, 196 pp., paperback, € 23,50)

Het is bijna tien jaar geleden dat 'De Joden in Nederland anno 2000' het licht zag. Dat boek bevatte de resultaten van een omvangrijk onderzoek waarin zowel de demografische kenmerken van de groep als haar binding aan het Jodendom een plaats vonden. Dit boek is daarop een vervolg. De oorspronkelijke steekproef werd aangevuld met leden van de volgende generatie. De overdracht van Joodse binding van ouders op kinderen en de Joodse binding van jongeren vormen dan ook belangrijke onderwerpen van deze publicatie. Daarnaast komt het gebruik van een aantal Joodse voorzieningen aan de orde. Ten slotte werd het aantal Joden in Nederland aan een nieuwe schatting onderworpen.
De resultaten van het onderzoek zijn niet volstrekt eenduidig. Er lijkt sprake te zijn van continuïteit, in die zin dat verschillende vormen van binding aan het Jodendom zich aardig handhaven. Maar ook vertonen kinderen een duidelijk zwakkere binding aan het Jodendom dan hun ouders en is er een toenemend aantal gemengde huwelijken en relaties. Dit verschijnsel zal in de toekomst hoogstwaarschijnlijk weer een verdere afname van Joodse identificatie ten gevolge hebben.
Dit wil niet zeggen dat een revival van het Jodendom in Nederland bij voorbaat is uitgesloten. Daarbij zou het toenemend aantal immigranten uit Israël een rol kunnen spelen. Zij hebben er in elk geval reeds voor gezorgd dat het totaal aantal Joden in Nederland zich in stijgende lijn bevindt.

'De Joden in Nederland anno 2009: continuïteit en verandering' is niet slechts van wetenschappelijke betekenis, maar bevat ook veel informatie die van praktisch belang kan zijn voor de Joodse gemeenschap in Nederland en haar instellingen.

Hanna van Solinge is socioloog en verbonden aan het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI). Ze was eerder projectleider van het onderzoek onder Joden in Nederland 1999-2001.
Carlo van Praag was tot zijn pensionering adjunct-directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en in die hoedanigheid jarenlang de coördinator en eindredacteur van het Sociaal en Cultureel Rapport. Thans is hij als research fellow verbonden aan het NIDI.


INHOUD

1 Inleiding
1.1 Vervagende grenzen: het probleem van survey-onderzoek onder Joden
1.2 Eerder onderzoek, in het bijzonder het ojin 1999
1.3 Het onderzoek van 2009: drie vergelijkingsrichtingen
1.4 Leeswijzer

2 Onderzoeksopzet en methode
2.1 Inleiding
2.2 Onderzoeksopzet
2.3 De drie vergelijkingsrichtingen nader uitgewerkt
2.4 Het onderzoek van 1999: de steekproef
2.5 Het onderzoek van 2009: de steekproef
2.6 Conclusie

3 Sociaal-demografisch profiel 2009
3.1 Inleiding
3.2 Schatting van het aantal Joden in Nederland
3.3 Leeftijdsopbouw van de onderzoeksgroep
3.4 Joodse achtergrond
3.5 Lidmaatschap joodse gemeente
3.6 Regionale verdeling
3.7 Sociaal-economische status
3.8 Politieke en sociaal-culturele oriëntatie
3.9 Relatie- en gezinsvorming
3.10 Sociaal welbevinden
3.11 Conclusie

4 Binding aan het Jodendom: de situatie in 2009
4.1 Maten voor binding aan het Jodendom
4.2 De onderlinge samenhang van deelbindingen
4.3 Binding naar achtergrondkenmerken
4.4 Nogmaals binding naar achtergrondkenmerken: enkele kruistabellen
4.5 De invloed van de partner
4.6 Wat maakt mij Joods?
4.7 Conclusie

5 Een vergelijking van leeftijdsgroepen
5.1 Inleiding
5.2 Binding naar leeftijdsklasse: vergelijking op basis van schaalscores
5.3 Binding naar leeftijdsklasse: vergelijking op basis van afzonderlijke vragen
5.4 Conclusie

6 Veranderingen in binding bij individuen
6.1 Inleiding
6.2 Individuen in de tijd gevolgd
6.3 Ontwikkelingen op groepsniveau als resultante van individuele ontwikkelingen in de periode 1999-2009
6.4 Enkele bindingsterreinen nader bekeken
6.5 Conclusie

7 Ouders en kinderen: de overdracht van Joodse binding
7.1 Inleiding
7.2 Methode
7.3 Overeenkomst tussen ouders en kinderen
7.4 Intergenerationele overdracht nader bekeken: de ‘erfelijkheid’ van het Joodse partnerschap
7.5 De erfelijkheid van Joodse binding: drie factoren
7.6 Intergenerationele overdracht: vergelijking op afzonderlijke vragen
7.7 Opvoeden: wat vinden ouders belangrijk?
7.8 Conclusie

8 Joodse voorzieningen en het internet: behoefte en gebruik
8.1 Inleiding
8.2 Bekendheid met en gebruik van Joodse instellingen
8.3 Potentiële gebruikers van voorzieningen
8.4 Joods internetten
8.5 Virtueel contact: vervanging of aanvulling?
8.6 Het waarom van Joods internetten
8.7 Conclusie

9 Samenvatting en conclusie
9.1 Het onderzoek Joden in Nederland 2009 (ojin 2009): doelstellingen en methode
9.2 Resultaten
9.3 Slotbeschouwing


Bijlagen
1 Schatting van het aantal Joden in Nederland anno 2010
2 Israëliërs in Nederland anno 2009
3 Statistische analyses bij hoofdstuk 2
4 Aanvullende analyses ten behoeve van hoofdstuk 5
5 Statistische analyses bij hoofdstuk 7
6 Statistische analyses bij hoofdstuk 8

Literatuur

VOORWOORD

In 1999 vond een grootschalig survey-onderzoek plaats onder Joden in Nederland. Dit onderzoek werd in opdracht van Joods Maatschappelijk Werk (JMW) uitgevoerd door het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) en het Instituut voor Migratie- en Etnische Studies (IMES). De doelstelling van het onderzoek was om een zo representatief mogelijk beeld te schetsen van de demografische situatie van de bevolking met een Joodse achtergrond in Nederland, alsmede van haar binding met het Jodendom. De resultaten van dit ‘Onderzoek onder de Joden in Nederland 1999’ (verder te noemen ojin 1999), inclusief de technische verantwoording, zijn in boekvorm verschenen onder de titel De Joden in Nederland anno 2000 (Van Solinge & De Vries 2001).

Bij de opzet van het onderzoek in 1999 werd reeds geanticipeerd op een mogelijk vervolg. Financiële bijdragen van de eerdergenoemde instellingen maakten het mogelijk om in 2009 – precies 10 jaar na de eerste onderzoeksronde – een ditmaal schriftelijk vervolgonderzoek te realiseren.

Op verzoek van JMW werd in het ‘Onderzoek onder de Joden in Nederland 2009’ (verder te noemen OJIN 2009) specifiek aandacht besteed aan een aantal zaken die in het eerdere onderzoek van 1999/2000 onderbelicht zijn gebleven. Het gaat hierbij om de positie van jongeren, de intergenerationele overdracht van binding aan het Jodendom en de behoefte aan Joodse voorzieningen bij de doelgroep.

De eerste vragenlijsten voor dit onderzoek werden verstuurd in januari 2009. De voorbereidingen van de dataverzameling waren in handen van Susan ter Bekke. Haar werkzaamheden werden overgenomen door Marc van de Wardt, die assisteerde bij de organisatie van het veldwerk en een deel van de achterliggende analyses verzorgde. De rapportage was in handen van Carlo van Praag en Hanna van Solinge.

Lopende het onderzoek ontstond bij de opdrachtgever de behoefte aan een actualisering van de in 2000 uitgevoerde schatting van het aantal Joden in Nederland. Na afronding van het vorige onderzoek zijn namelijk nieuwe gegevensbronnen beschikbaar gekomen die doen vermoeden dat de bij de berekeningen gebruikte beginpopulatie sterker is onderschat dan destijds voorzien, terwijl ook de aannames met betrekking tot sterfte en migratie mogelijk niet meer actueel waren. Dit heeft geresulteerd in een aanvullende opdracht tot een nieuwe schatting van de omvang van de Joodse bevolking in Nederland in de jaren 2000, 2010 en 2020. De berekeningen die werden uitgevoerd door Nicole van der Gaag zijn als Bijlage 1 in dit rapport opgenomen.

De onderzoekers hebben zich laten adviseren door een begeleidingscommissie bestaande uit dr. Merove Gijsberts (SCP), drs. Jack van Vlijmen (voorheen o&s Gemeente Amsterdam), drs. Chris Kooyman (JMW, projectleider vanuit de opdrachtgever) en drs. André Agsteribbe (Jmw).

1 INLEIDING

1.1 Vervagende grenzen: het probleem van survey-onderzoek onder Joden

Joden in westerse landen vormen sterk geassimileerde groepen en hun situatie in Nederland is daarop geen uitzondering.(1 Jood of Joden wordt steeds met een hoofdletter geschreven, behalve wanneer het gaat om de joodse religie. Een en ander conform het officiële spellingvoorschrift). Dit maakt het moeilijk hen duidelijk te onderscheiden van de overige bevolking en dit probleem manifesteert zich ook in het sociaal onderzoek naar deze groep. Ooit lag het criterium des onderscheids in religie welk kenmerk was vastgelegd als lidmaatschap van een kerkgenootschap, een gegeven dat in Nederland onder andere in de periodieke Volkstellingen terugkeerde. Al voor de Tweede Wereldoorlog had dit criterium enigszins aan waarde ingeboet, maar desondanks kon J.P. Kruijt in 1933 nog melden dat de meeste ‘Israëlieten’ in Nederland weliswaar vervreemd zijn van de joodse godsdienst, maar dat zij toch lid blijven van hun kerkgenootschap en dat zelfs de atheïsten onder hen de besnijdenis, het kerkelijk huwelijk en de kerkelijke begrafenis in ere houden (Kruijt 1933: 17). Na de oorlog was het animo van de overgebleven Joden voor het lidmaatschap van een joods kerkgenootschap duidelijk minder dan daarvoor en, los van de door de oorlog veroorzaakte angst voor de registratie van hun identiteit, hadden de Joden, wellicht nog meer dan de rest van de bevolking deel aan een proces van secularisatie dat tot op heden voortduurt. Volgens een onderzoek uit 1966 was destijds 47 procent van de geschatte Joodse bevolking lid van een joods kerkgenootschap (Van Praag 1971). Eveneens naar schatting was in 2000 nog slechts 28 procent van de Joden lid (personen met alleen een Joodse vader niet meegerekend) (Van Solinge & De Vries 2001). Niet alleen in religieuze, maar ook in sociale zin vervaagde het onderscheid tussen de Joden en de overige bevolking. Een indicator hiervoor is gelegen in het gemengde huwelijk. Dat was al voor de oorlog niet meer zo uitzonderlijk. In Amsterdam was in de jaren dertig van de vorige eeuw al 17 procent van de huwelijken waar Joden bij waren betrokken, gemengd. Van de tussen 1960 en 1965 huwende Joden in Nederland sloot 54 procent van de mannen en 45 procent van de vrouwen een gemengd huwelijk (Van Praag 1971: 20). Bij de interpretatie van deze cijfers dient wel rekening te worden gehouden met het feit dat de naoorlogse Joodse huwelijksmarkt door de vernietiging van het overgrote deel van de Joodse gemeenschap aanmerkelijk kleiner was dan in de vooroorlogse situatie.

Ook op andere kenmerken dan religie is het vrijwel onmogelijk de Joden als groep te onderscheiden van de overige bevolking. Zij zijn overwegend in Nederland geboren en dat geldt ook al voor hun ouders. Zij zijn dus niet, zoals het cbs doet met bij voorbeeld Turken, Marokkanen en Surinamers, op grond van hun geboorteland of dat van hun ouders te identificeren. Zij zijn evenmin op grond van taal te onderscheiden en cultureel verschillen zij niet of nauwelijks van hun medeburgers van gelijke opleiding en sociale status. In objectief culturele zin, dus los van subjectieve gevoelens van verbondenheid, kan men nauwelijks van een ‘etnische groep’ spreken.

Het criterium dat de Joodse religie zelf (in de zogenaamde halacha) hanteert om de groep te begrenzen, te weten de afstamming van een Joodse moeder, verlegt het probleem naar een vorige generatie, hetgeen in zoverre een voordeel is dat die vorige generatie een veel hogere inschrijvingsgraad in een joods kerkgenootschap vertoont en dus een bredere dekking van de groep biedt. Het langs deze genealogische weg identificeren van de huidige Joodse populatie zou echter een buitengewoon moeizame procedure vergen. Het beginpunt van een dergelijk onderzoek zou namelijk gelegen zijn in een grotendeels niet meer bestaande populatie. Daarbij is hantering van het afkomstcriterium langs uitsluitend de moederlijke lijn in de huidige situatie omstreden. Tal van personen die geen Joodse moeder, maar alleen een Joodse vader hebben, beschouwen zichzelf als Joden. In het sociaal-demografisch onderzoek onder de Joden in Nederland in 1999 bleek dat slechts 29 procent van de respondenten hechtte aan de joods-religieuze (halachische) definitie van een Joodse identiteit. Voor 20 procent was het hebben van een Joodse vader ook al voldoende om iemand een Joodse identiteit toe te kennen, terwijl 22 procent zelfs geheel afzag van het afstammingscriterium en het gevoel van de persoon in kwestie doorslaggevend vond (Van Solinge & De Vries 2001: 180).

Het gebrek aan formele scheidslijnen (2 Los van formele toedelingscriteria mag worden vermeld dat de Joden in Nederland zich naar uiterlijk in het algemeen te weinig onderscheiden van de overige bevolking om gemakkelijk herkend te worden. Dat geldt zeker voor het huidige multi-etnische Nederland met zijn in uiterlijk opzicht steeds sterker gevarieerde bevolking. In het onderzoek van 1999 gaf 15 procent van de respondenten aan dat men verwachtte vanwege uiterlijk door niet-joden als Jood herkend te worden.) bemoeilijkt ten zeerste het doen van onderzoek naar de groep. Het toebehoren tot de groep is niet, zoals bij reeds genoemde andere etnische groepen, statistisch gedocumenteerd en er is dus ook geen populatieregister waaruit een steekproef kan worden getrokken. Een dergelijk register moet door de onderzoeker zelf worden gecreëerd en de hulpmiddelen die zich daarbij aandienen zijn gebrekkig. Bij het ontbreken van duidelijke grenzen in de populatie is het op voorhand problematisch om tot een representatieve steekproef te komen. Representatief voor wat, moet men zich daarbij direct afvragen: de groep is immers niet alleen statistisch moeilijk te begrenzen, maar ook sociaal. Zij is, zoals gezegd, sterk geassimileerd. Over de wijze waarop desondanks een steekproef werd getrokken later meer.

Dat alles wil niet zeggen dat de groep niet bestaat. Daarvoor is er onder degenen die men, volgens welk criterium dan ook, als Joods of van Joodse origine zou kunnen beschouwen een te sterk besef van afkomst en van historische lotsverbondenheid, hetgeen voor een auteur als bijvoorbeeld Max Weber (zie: Verkuyten 1999: 43-44) voldoende is om van een etnische groep te spreken. In modernere benaderingen van het verschijnsel etniciteit wordt een grote waarde gehecht aan de definitie die betrokkenen zelf van hun identiteit geven. Het besef van een Joodse identiteit wordt daarmee, los van objectief waarneembare culturele kenmerken, een belangrijk criterium, juist in een situatie waarin de onderscheidende culturele kenmerken steeds verder eroderen. Verkuyten en anderen wijzen er overigens op dat niet elke aanspraak op een etnische identiteit gehonoreerd wordt. Er zou wel degelijk een soort cultureel fonds moeten zijn, nu of in de geschiedenis, waarop die etnische aanspraak zich kan baseren. Zo beschouwd vormen de Joden ongetwijfeld een etnische groep. Een historisch cultureel fonds, in de vorm van religie, een aantal ooit gesproken Joodse diasporatalen en het besef van een gemeenschappelijke afstamming, is hier overduidelijk aanwezig, ook al zijn veel van de thans even de Joden van deze erfenis vervreemd.

Tal van auteurs, waaronder bij voorbeeld Barth (1969) en Jenkins (2004) laten het cultuurbegrip volledig varen bij de begrenzing van etnische (of andere) groepen in de samenleving. Een identiteit, in etnische of in andere zin, is geen vaststaand feit, maar het fluctuerende resultaat van een voortdurend proces van constructie door de betrokkenen en hun omgeving, of liever de diverse sociale omgevingen waarvan zij deel uitmaken. Etniciteit is daarmee een kwestie van zelfbenoeming en benoeming door anderen, welke processen bovendien in wisselwerking tot elkaar staan. Ook in deze opvatting is voor een succesvolle aanspraak op een etnische identiteit een vorm van erkenning door de buitenwereld een voorwaarde. Niet elke vorm van zelfbenoeming door individuen levert een sociaal betekenisvolle categorie op. De criteria waarop men zijn aanspraak baseert, zijn nooit geheel willekeurig. Het culturele fonds waaruit men put kan desnoods ad hoc geconstrueerd zijn, maar identificatie met een groep vindt niet in een maatschappelijk vacuüm plaats. Een identificatie die losstaat van welke sociale realiteit dan ook, levert geen identiteit op, althans geen bovenpersoonlijke identiteit (Jenkins 2004: 87).

Het moge in het geval van de Nederlandse Joden duidelijk zijn dat zij, ook in deze termen van benoeming en zelfbenoeming, een etnische identiteit bezitten. Uit het onderzoek van 1999 bleek dat veruit de meeste personen die men, volgens het ruimste objectieve criterium voorhanden (de naam van de persoon) als Joden zou kunnen beschouwen, zich in meer of mindere mate identificeerden met het Jodendom. In welke mate de Joden voor de buitenwereld een betekenisvolle categorie vormen (het aspect van benoeming door anderen), was geen onderwerp van dit onderzoek, maar men mag aannemen dat het begrip ‘Jood’ ook in de buitenwereld een inhoud heeft. Tevens blijkt echter bij herhaling, niet alleen uit het onderzoek van 1999, maar ook uit de literatuur, dat de Joodse identiteit de dragers daarvan in het overgrote deel van de gevallen niet zodanig domineert dat hun bestaan daardoor wordt bepaald of dat zij zich daardoor scherp aftekenen in hun niet-Joodse omgeving. Zij worden hiertoe door diezelfde buitenwereld ook niet meer, zoals sommige andere minderheidsgroepen nog steeds wel, min of meer gedwongen. Zelfs in verschillende Oost-Europese samenlevingen waarin de Joden zo lang gesegregeerde en door hun omgeving afgewezen minderheden vormden, blijkt een Joodse identiteit steeds minder een sociale barrière en kan een dergelijke identiteit zelfs respect opleveren. Verdwenen Joodse culturen ondergaan er een herwaardering: synagogen worden gerestaureerd en geheel uit niet-Joden bestaande klezmerorkesten luisteren ‘Joodse’ festivals op (Pinto 1996; Webber 2003).

In de wijze waarop de eigen etniciteit wordt ingekleurd bestaat een grote keuzevrijheid en die wordt ook gebruikt. Het Jood zijn is in een moderne westerse samenleving geen vanzelfsprekend onveranderlijk gegeven, maar een geheel van situationeel bepaalde beslissingen waarin zich een grote dynamiek openbaart. Liebman spreekt van een Amerikaans Joodse identiteit die het karakter draagt van een ‘life style’ of ‘an acquired taste’ die het voornamelijk van gevoelens en momenten moet hebben en die geen onderliggend stabiel handelingspatroon en geen gemeenschapsstructuur meer vergt (Liebman 2003: 298).

Eén van onze respondenten uit het onderzoek in 2009 biedt daarvan een goede illustratie:

‘Wat mij soms Joods maakt is een gevoel dat opkomt. Het is niet te plannen wel is de kans groter op 4 mei. Ik wil proberen dit gevoel ook aan mijn kinderen door te geven’ (man, geboren in 1969, Joodse grootvader).

De vergelijking met de door Marlene de Vries beschreven Indische Nederlanders dringt zich op: ondanks grote verschillen tussen beide groepen in historische en culturele achtergrond gaat het ook hier om een sterk geassimileerde groep, waarmee personen zich naar eigen goeddunken en op basis van veranderlijke persoonlijke gevoelens kunnen identificeren. De Vries gaf haar boek dan ook als titel ‘Indisch is een gevoel’ (De Vries 2009).

Over de lange termijn beschouwd, is assimilatie onmiskenbaar. Voor Bernard Wasserstein (1996) is dat aanleiding geweest om te voorspellen dat in Europa het bestaan van de Joden als etniciteit, mede trouwens door de geringe vruchtbaarheid van de groep, ten einde loopt. De wijze waarop daar momenteel nog inhoud wordt gegeven aan de Joodse identiteit is zodanig subjectief en vluchtig dat deze nauwelijks nog overdraagbaar is op een volgende generatie, hoewel de hierboven geciteerde respondent dat voornemen kennelijk wel koestert. Termen die in dit verband in de literatuur over het onderwerp vallen zijn het reeds genoemde ‘life style Judaism’, ‘pick and mix identity’, ‘thin culture’, ‘individualistic eclectic Judaism’ en ‘symbolic ethnicity’ (Gitelman 1998; Vermeulen 2001; Liebman 2003: 113-114; De Vries 2006: 81). De visie van Wasserstein heeft niet alleen bij onderzoekers, maar vooral in de Joodse wereld zelf veel reacties opgeroepen. Lang niet allen zijn Wassersteins mening toegedaan en velen zien in diverse landen juist een revival van het Jodendom optreden. Anderen betwisten niet de geldigheid van Wassersteins analyse maar betreuren de door hem voorspelde ontwikkeling en zinnen op middelen haar te keren. Zo spreekt Pinto (1996) van een ‘highly pessimistic book’ en van een scenario ‘… which European Jewry must avoid’, terwijl de conclusies van Wijnbergs, overigens objectief, onderzoek uit de jaren zestig van de vorige eeuw de auteur doen ‘zoeken naar de wapens, waarmede men kan strijden tegen de krachten die ontbindend werken op de Joodse groep’ (Wijnberg 1973: 134). Al met al fungeert Wassersteins these in veel onderzoek naar het Europese Jodendom als een expliciete of impliciete hypothese. Dat geldt ook voor het onderhavige onderzoek waarin bijvoorbeeld de overdracht van Joodse tradities en Joods bewustzijn van ouder op kind een voornaam onderwerp vormt.

1.2 Eerder onderzoek, in het bijzonder het OJIN 1999

Dit onderzoek is zeker niet het eerste onder de Joden in Nederland. Om te beginnen is het onderzoek een direct uitvloeisel van het in 1999 door nidi en imes verricht onderzoek en het draagt dan ook het kenmerk van een followup. Voor zover mogelijk werden dezelfde personen als in 1999 geïnterviewd, zij het dat ook verschillende groepen nieuwe respondenten werden geënquêteerd. Over het ontwerp van de steekproef is een apart hoofdstuk opgenomen (zie hoofdstuk 2). Er is echter ook al vóór 1999 een survey van enige omvang onder de Nederlandse Joden gehouden. Het gaat hier om een onderzoek uit 1962-1963 van de zojuist al genoemde Wijnberg onder een aselecte steekproef van 210 Amsterdamse Joden. Het ging daarbij om Joden in de zin van een Joodse afstamming, in dit geval langs moederlijke lijn (halachische Joden). Veel van de destijds door hem gestelde vragen keren in het onderzoek van 1999 en dus ook in ons huidige onderzoek terug en leveren daarmee vergelijkingsmateriaal op. Het gaat onder meer om het volgen van religieuze tradities, de binding met de Joodse gemeenschap, de ervaring van antisemitisme en de identificatie met de staat Israël. Wijnberg ziet de assimilatie in elke nieuwe generatie toenemen, hetgeen volgens hem bij de betrokkenen leidt tot marginaliteit, angst en onzekerheid (Wijnberg 1973: 141).

Daarnaast hebben enkele demografische analyses van de populatie plaatsgevonden, te weten in 1954 en in 1966 (Commissie voor Demografie der Joden in Nederland 1961; Van Praag 1971). Beide onderzoeken gingen uit van bij de diverse joodse gemeenten aanwezige ledenregisters die zo goed mogelijk werden aangevuld met gegevens van bij deze gemeenten bekende, maar niet ingeschreven Joden. In 1966 werd op initiatief van de Stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW) en de drie joodse kerkgenootschappen een nieuwe demografische inventarisatie gehouden. In dit onderzoek werd wederom uitgegaan van gegevens verstrekt door de joodse kerkgenootschappen, welke echter werden gecontroleerd en aangevuld met behulp van informatie uit de bevolkingsregisters van de gemeenten. Het aantal Joden in Nederland werd in dit laatste onderzoek geschat op bijna 30.000. In beide onderzoeken ging het overigens om Joden volgens het halachische criterium dus op basis van afstamming via de moeder. Uitgaande van de gegevens van 1966 maakte het NIDI een vooruitberekening van het aantal Joden anno 2000 en kwam daarbij uit op 43.000, waarin ditmaal wel begrepen een aantal van 13.000 personen die slechts een Joodse vader hadden en die volgens het halachische criterium geen Joden waren (Van Solinge & De Vries 2001: 2, 93).

Ten tijde van het onderzoek in 1999 (ojin 1999) waren er totaal ongeveer 8.500 ingeschrevenen bij de drie joodse kerkgenootschappen. Op grond van voorgaande demografische inventarisaties stond vast dat dit aantal veel lager lag dan het aantal personen van Joodse afkomst, wat geen verwondering hoeft te wekken want een sterke secularisatie is bij de Joden, evenals bij de niet-Joodse bevolking, al vele decennia gaande. Het onderzoek volgde daarom een andere methode. Er werd een moedersteekproef getrokken onder dragers van Joodse namen, maar aangezien veel door Joden gedragen namen niet exclusief Joods zijn, moest deze moedersteekproef worden ontdaan van personen die (volgens eigen zeggen) zichzelf niet als Joods of als van Joodse afkomst beschouwden. Zie voor de details van de gevolgde methode hoofdstuk 2. De steekproef van het ojin 1999 omvatte tenslotte ruim 1.000 respondenten die deel hadden aan een uitvoerig mondeling interview. Het onderzoek omvatte niet slechts een demografische analyse van de Joden, maar richtte zich vooral ook op hun binding met het Jodendom en met de Joodse gemeenschap. Binding staat hier voor een toestand van subjectieve hechting die varieert naar haar intensiteit en haar reikwijdte over de verschillende terreinen des levens. Het begrip komt redelijk overeen met de moderne opvatting van etnische identiteit. Deze binding werd in dit geval toch voor een deel vastgesteld op basis van objectieve kenmerken, zoals lidmaatschap van Joodse organisaties, de Joodse, dan wel niet Joodse identiteit van een eventuele partner, deelname aan religieuze praktijken en culturele tradities, overdracht van Joodse waarden op de volgende generatie, waarbij wel de kanttekening moet worden geplaatst dat deze objectieve kenmerken langs subjectieve weg, dus op basis van de informatie van de respondenten zelf, werden vastgesteld. Daarnaast richtte het onderzoek zich op zuiver subjectieve informatie van de respondenten, zoals hun gevoel van verbondenheid met het Jodendom als godsdienst en cultuur, met de Joodse gemeenschap en met Israël.

Verder werd ook hun gevoel van lotsverbondenheid met andere Joden op grond van antisemitisme en oorlogservaringen gepeild. Tot deze categorie van subjectieve informatie kan ook de zelfdefinitie van de respondent als Joods, niet-Joods, dan wel als conditioneel Joods, worden gerekend. Het was opmerkelijk dat nauwelijks meer dan de helft van de respondenten in het onderzoek zichzelf zonder meer als Jood beschouwde. Ruim een derde beschouwde zichzelf slechts als iemand van Joodse afkomst (Van Solinge & De Vries 2001: 112).

Tabel 1.1 Joodse zelfdefinitie in 1999 (percentages)

Ja, ik beschouw mijzelf als Jood - 55
Ik beschouw mijzelf soms als Jood, afhankelijk van de situatie - 8
Ik beschouw mijzelf niet zozeer als Jood, maar als iemand met een Joodse afkomst - 35
Nee, ik beschouw mijzelf helemaal niet als Jood - 3
Bron: Van Solinge & De Vries 2001 (op basis van ojin 1999, N=1.029)

De bevindingen van het OJIN 1999 wezen met dat al niet op een spoedige verdwijning van de Joden in Nederland. Het aantal Joden loopt volgens dat onderzoek, ondanks de vergrijzing en de lage vruchtbaarheid, althans in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw nauwelijks terug en onder de meerderheid van de ondervraagden was nog sprake van een vrij stevige binding met het Jodendom, ook onder jongeren. Daarbij moet worden opgemerkt dat er wel een uitholling van religieuze tradities plaatsheeft, vooral van de tradities die iets meer vragen dan een gezellig samenzijn onder het genot van een hapje (dat niet eens koosjer hoeft te zijn, want slechts zeven procent volgt de spijswetten). Slechts een minderheid laat haar zoons nog besnijden. Slechts 28 procent van de respondenten was lid van een joods kerkgenootschap (Van Solinge & De Vries 2001: 127). Daarbij moet worden aangetekend dat deze percentages wat hoger komen te liggen als alleen de halachisch-Joodse respondenten uit de steekproef in aanmerking worden genomen. Deze slijtage van tradities onder de leden van de gemeenschap (interne secularisatie) is overigens al lang gaande. Los van de sociaal-culturele, oorspronkelijk religieus gewortelde, binding met de gemeenschap, voelen vele Joden een lotsverbondenheid die op de oorlog en op het antisemitisme teruggrijpt en identificeren zij zich voor een aanzienlijk deel ook met de staat Israël. Voorzover het gaat om de Tweede Wereldoorlog en de staat Israël vertonen deze bindingsvormen bij de jongeren tekenen van verzwakking, zoals het ojin 1999 liet zien (Van Solinge & De Vries 2001: 114 e.v., 172) en het is de vraag of deze, momenteel nog belangrijke, bronnen van identificatie in de toekomst nog lang stand zullen houden. In het proces van identiteitsvorming speelt het door de buitenwereld gemaakte onderscheid tussen Joden en niet-Joden een onontbeerlijke rol. Als deze etikettering komt te ontbreken, wordt lotsverbondenheid een steeds leger begrip. Daar past echter de kanttekening bij dat de gebeurtenissen in het Midden-Oosten gevoelens van vijandigheid ten opzichte van de Joodse gemeenschappen elders kunnen oproepen of versterken.

De numerieke consolidatie van de Joodse groep die zich uit het OJIN 1999 liet afleiden, is zoals het rapport over dat onderzoek zelf ook uitdrukkelijk aangeeft, in niet onbelangrijke mate het gevolg van de toerekening van kinderen uit gemengde huwelijken aan de Joodse populatie. Het gemengde huwelijk is onder Joden al geruime tijd frequent en de kansen op een dergelijk gemengd huwelijk of een gemengde relatie nemen onder de huidige omstandigheden in elke nieuwe generatie toe. Dit gemengde huwelijk is een sterke predictor van een zwakkere Joodse binding in een volgende generatie. Op alle aspecten van Joodsheid scoren de kinderen uit dergelijke relaties lager dan de degenen met twee Joodse ouders. Dit staat dan nog los van het feit dat degenen met alleen een Joodse vader volgens de religieuze maatstaf, zoals die stringent gehanteerd wordt door het voornaamste joodse kerkgenootschap, geen Joden zijn.

Los van de kinderen uit gemengde huwelijken spelen ook immigranten uit Israël voor een zekere aanwas van de Joodse bevolking. In 2000 waren er ruim 6.000 personen van Israëlische herkomst in Nederland. In 2009 is dit aantal gegroeid tot naar schatting ruim 9.000 (zie bijlage 2). Daarmee vormen de Israëli’s al 17 procent van alle Joden in Nederland. Zij maken helaas geen deel uit van het hier gerapporteerde onderzoek. Over hun affiniteit tot de Nederlandse Joodse gemeenschap is weinig bekend. Het gaat in elk geval om een jonge, sterk vlottende, populatie met een hoog aandeel kortverblijvers.

1.3 Het onderzoek van 2009: drie vergelijkingsrichtingen

Hoewel in het onderzoek van 1999 de identificatie van de meerderheid van de Nederlandse Joden met het Jodendom nog krachtig aanwezig was, waren de vluchtige, gevoelsmatige en situatieafhankelijke vormen van binding met het Jodendom, de ‘pick and mix’-tendens, stellig onderkenbaar en bij de jongeren in hogere mate dan bij de ouderen. Wassersteins visie bleef op dat punt overeind. De taaiheid van dergelijke bindingen blijft onderwerp van discussie en vormde het centrale thema van het onderzoek in 2009. Om inzicht te krijgen in continuïteit en verandering is allereerst nagegaan in hoeverre er bij de oorspronkelijke deelnemers sprake is van verandering in hun binding aan het Jodendom in de tijd. Verder richt het onderzoek zich op de vraag hoe de verbondenheid met de Joodse achtergrond is onder jongeren? Verschillen jongere en oudere leeftijdsgroepen van elkaar wat betreft binding? Tenslotte is onderzocht in hoeverre er sprake is van overdracht van betrokkenheid bij Jodendom tussen generaties. Is er sprake van continuïteit, treedt verwatering op of worden banden aangehaald? Het onderzoek kent dus drie vergelijkingsrichtingen:
• een vergelijking van personen in de tijd;
• een vergelijking tussen jongeren en ouderen;
• een vergelijking tussen ouders en kinderen.
Daarnaast is in het onderzoek het gebruik van en de belangstelling voor Joodse voorzieningen onder de loep genomen. Daarin werd ook het internetgebruik betrokken. Verder is in het verlengde van dit onderzoek gewerkt aan een actualisering van de in 1999 uitgevoerde schatting van het aantal Joden in Nederland.

1.4 Leeswijzer

Zoals hiervoor beschreven kent het onderzoek in 2009 een complex design met maar liefst drie vergelijkingsrichtingen. Het gevaar dat daarbij dreigt is dat de lezer het overzicht verliest. Om dat zo veel mogelijk tegen te gaan is aan het begin van ieder hoofdstuk een korte introductie opgenomen, waarin wordt aangegeven welke vergelijkingsrichting centraal staat en op welk deel van de steekproef de resultaten zijn gebaseerd. Mede in verband met de leesbaarheid is technische informatie over bijvoorbeeld de achterliggende statistische analyses niet opgenomen in de lopende tekst, maar als bijlage toegevoegd. Waar relevant wordt in de hoofdstukken naar deze bijlagen verwezen. Desondanks zijn sommige hoofdstukken technischer van aard dan andere. Degenen die vooral in de hoofdlijnen zijn geïnteresseerd word verwezen naar de samenvatting van dit rapport.

Deze rapportage bestaat uit negen hoofdstukken.

• In hoofdstuk 1 wordt het onderzoek van 2009 in een breder perspectief geplaatst en wordt onder ander ingegaan op problemen bij survey-onderzoek onder sterk geassimileerde groepen, zoals Joden in Nederland.
• In hoofdstuk 2 worden de onderzoeksopzet en methode uiteengezet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de oorspronkelijke steekproef van het ojin 1999 is aangevuld en op mogelijke bronnen van selectiviteit in de onderzoeksopzet.
• In hoofdstuk 3 wordt een sociaal-demografisch profiel van de onderzoeksgroep in 2009 geschetst. Waar relevant wordt een vergelijking gemaakt met de onderzoeksgroep in 1999, of de totale Nederlandse bevolking. Dit hoofdstuk bevat ook de uitkomsten van een nieuwe schatting van het aantal Joden in Nederland, die als aanvulling op het survey-onderzoek werd uitgevoerd
• Hoofdstuk 4 kan gezien worden als een introductie op de drie volgende hoofdstukken waarin continuïteit en verandering in binding worden bestudeerd. In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de binding aan het Jodendom in 2009. Tevens worden de voor dit doel ontwikkelde meetinstrumenten (de zogenaamde bindingsschalen) geïntroduceerd.
• In hoofdstuk 5 staat een vergelijking van leeftijdsgroepen centraal. Ouderen en jongeren worden vergeleken op hun Joodse binding.
• In hoofdstuk 6 worden personen vergeleken in de tijd. Centrale vraag is welke ontwikkelingen er zichtbaar zijn in de Joodse binding tussen 1999 en 2009 bij dezelfde individuen.
• Hoofdstuk 7 is een vergelijking tussen ouders en kinderen in 2009. De vraag is in hoeverre voorkeuren en gedrag op een volgende generatie worden overgedragen.
• In hoofdstuk 8 wordt het gebruik van Joodse voorzieningen in 2009 onder de loep genomen. Daarin wordt ook het internetgebruik betrokken.
• Het rapport eindigt met een samenvatting en slotbeschouwing. Het hoofdstuk is zo opgezet dat het desgewenst als zelfstandig hoofdstuk te lezen is.
• Aan het rapport is een bijlage toegevoegd (bijlage 1), waarin een technische verantwoording wordt gegeven van de nieuwe aantalschatting van de bevolking met Joodse achtergrond in Nederland.

Informatie:
ISBN
: 9789079700264
Auteur
: Van Solinge & Van Praag
Kaft
: Paperback
Uitgever
: AMB uitgeverij
Foto('s):
Bijlagen:
Prijsinformatie:
Prijs per stuk:
€ 23,50
Aantal: Bestellen
Relevante producten
Reviews Review toevoegen

Deze review wordt niet direct geplaatst omdat deze eerst moet worden goedgekeurd door een beheerder. Wanneer deze review goedgekeurd is zal hij verschijnen op deze pagina.

Geen reviews gevonden.

 
 
 
Uitgeverij AMB  
Karwijzaaderf 15
1112 JN Diemen
postadres
Postbus 7
1110 AA Diemen


info.amb@xs4all.nl

AMB Publishers 
Karwijzaaderf 15
1112 JN Diemen

postal address
 PO Box 7
  1110 AA Diemen
  The Netherlands

 info.amb@xs4all.nl


 
 
 
 
Deze website gebruikt cookies om het bezoek te meten, we slaan geen persoonlijke gegevens op.